Autoriteit Persoonsgegevens: alcoholenkelband nog niet betrouwbaar

Foto: ANP

De Autoriteit Persoonsgegevens (AP) heeft bezwaren tegen de alcoholenkelband die het demissionaire kabinet verplicht wil stellen voor mensen die een alcoholverbod opgelegd hebben gekregen. Volgens de privacywaakhond is niet duidelijk of deze alcoholmeter wel betrouwbaar is. Pas als die onzekerheden zijn weggenomen moet het kabinet doorgaan met het wetsvoorstel, vindt de organisatie.

De alcoholenkelband meet via zweet op de huid of iemand alcohol heeft gedronken of niet. Op dit moment is de band nog niet verplicht en ondergaan verdachten of veroordeelden met een alcoholverbod periodiek een bloed- of urineonderzoek om te controleren of zij zich aan dat verbod houden. Drie jaar geleden werd duidelijk dat het kabinet in plaats daarvan een alcoholenkelband wil invoeren, zodat dat continu kan worden gemonitord. Het wetsvoorstel van toenmalig justitieminister Ferdinand Grapperhaus volgde op meerdere proeven met de meter.

Maar volgens de Autoriteit Persoonsgegevens is tijdens het proeftraject gebleken dat de alcoholmeter vals positieve uitslagen kan geven. Meer dan 1 op de 10 proefpersonen zei geen alcohol te hebben gedronken, maar testte daar via de enkelband toch positief op.

“Wanneer de alcoholmeter ernaast zit, bestaat het risico dat iemand geheel ten onrechte een zwaardere straf krijgt, misschien zelfs wel een celstraf”, zegt AP-bestuurslid Katja Mur. “Dat past natuurlijk niet binnen een rechtsstaat. Het wetsvoorstel moet daarom duidelijk maken hoe zulke situaties worden voorkomen.”

Bovendien is volgens de waakhond niet duidelijk of de enkelband alleen meet dát iemand alcohol heeft gedronken, of dat ook het exacte alcoholpromillage wordt geregistreerd. Dat moet beter worden toegelicht in het wetsvoorstel, stelt de Autoriteit Persoonsgegevens.

Het voorstel over de alcoholmeter, waarvoor het Wetboek van Strafrecht en dat van Strafvordering moeten worden gewijzigd, is begin juli goedgekeurd in de ministerraad. Het ligt nu voor advies bij de Raad van State en moet daarna ook nog door de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld.